ECN, de Universiteit Utrecht en initiatiefnemer TNO hebben de belangrijkste kansen en bedreigingen van de transitie naar een duurzame energievoorziening voor economie en samenleving van Nederland in beeld gebracht en zijn nagegaan waar belangrijke lacunes liggen in de benodigde kennis voor een transitie naar een toekomstbestendig energiesysteem. Het rapport heeft veel reacties opgeroepen. De auteurs van het rapport gaan hier op in.

Met name de constatering dat aardgas en aardolie op dit moment van cruciaal belang zijn voor de Nederlandse economie, heeft veel weerstand opgeroepen. Veel belangrijker is echter onze conclusie dat we in Nederland eigenlijk geen idee hebben hoe we sterker uit de energietransitie kunnen komen. We hebben geen langetermijnvisie op ons energiesysteem. En we weten eigenlijk niet waar we onze schaarse middelen het best kunnen investeren. Een gedegen inzicht in de economische kansen van duurzame energie voor het Nederlandse bedrijfsleven ontbreekt.

Belangrijke vragen zijn nog onvoldoende beantwoord. Een van die vragen betreft de gevolgen van de energietransitie voor de staatsinkomsten van Nederland. Ons rapport kwantificeert de baten die het huidige energiesysteem voor de staat oplevert door de fysieke energiestromen (m.n. aardgas en aardolie) in ons land te koppelen aan de met energie verbonden monetaire stromen volgens de Nationale Rekeningen van het CBS. Op die manier komen we tot een raming van ruwweg 50 miljard euro in 2010. Met andere woorden: circa 20% van de staatsinkomsten is op dit moment gerelateerd aan het energiesysteem. En dat is een conservatieve schatting.

Onze kwantificering heeft interessante reacties opgeleverd. Zo noemen Martijn Blom en Frans Rooijers deze in het Financieele Dagblad van 15 maart "onjuist en op een aantal punten misleidend". Zij bestrijden niet het grote economische belang van fossiele energie, maar lijken onze cijfermatige exercitie op te vatten als een welvaartsanalyse. Zo betogen zij dat alleen de aardgasbaten (15,8 miljard euro in 2010) mogen worden gezien als fossiel-afhankelijk. Volgens hen veranderen de energie-accijnzen (12 miljard euro in 2010) niet bij een groeiend aandeel duurzame energie. Verder zou een terugval in de loon- en winstbelasting van de energieleverende industrie en de energie-intensieve sectoren (21 miljard euro in 2010) volgens hen worden gecompenseerd door groei in 'clean tech' sectoren.

In onze analyse hebben we geen welvaartsanalyse uitgevoerd, maar uitsluitend het belang van het huidige energiesysteem voor de overheidsinkomsten gekwantificeerd. Doel was om de relevante geldstromen inzichtelijk te maken. De vraag hoe die overheidsinkomsten zich ontwikkelen bij een groeiend aandeel duurzame energie is belangrijk, maar valt met de beschikbare informatie nog niet goed te beantwoorden. Blom en Rooijers zijn ons inziens iets te gretig in hun antwoord. Zo is mondiaal een groei in de 'clean tech' sector te voorzien, maar is het voor Nederland niet zo vanzelfsprekend dat 'clean tech' de komende 20 jaar 'booming business' wordt. Het is bijvoorbeeld nog onvoldoende duidelijk op welke gebieden Nederlandse bedrijven zich op de internationale markt kunnen onderscheiden. Verder is het zeer de vraag of de energieaccijnzen niet veranderen bij een groeiend aandeel duurzame energie. Een centrale aanname in de analyse van Blom en Rooijers is dat belastingen en accijnzen in grote meerderheid neutraal zijn in de herkomst, wijze van productie en bron (fossiel of hernieuwbaar). Volgens ons is deze aanname voor wat betreft energie onjuist en misschien zelfs misleidend.

Om dat toe te lichten moeten we kort ingaan op het verschil tussen basisprijs en marktprijs in de Nationale Rekeningen van het CBS. Basisprijzen zijn prijzen van goederen en diensten tegen factorkosten – dat wil zeggen de kosten van productiefactoren zoals arbeid, grond, kapitaal en ingekochte grondstoffen ten behoeve van productie. De marktprijs is de prijs die de eindgebruiker betaalt. Tussen basisprijs en marktprijs zitten belastingen en accijnzen. Naarmate de prijselasticiteit geringer is, wat wil zeggen dat het gebruik van een product weinig afneemt als de prijs fors stijgt, zijn deze belastingen en accijnzen hoger. Dit geldt bijvoorbeeld voor producten zoals alcohol, tabak en ook energie. Ook wanneer de overheid aan de basisprijs een substantieel bedrag aan belastingen en accijnzen toevoegt, blijft de consument roken, drinken, rijden, zijn huis verwarmen en het licht aandoen.

Duurzame energie uit zon, wind en biomassa kent uiteenlopende basisprijzen, omdat het gebruik van productiefactoren tussen deze energievormen sterk verschilt. Om dezelfde redenen zijn ook de basisprijzen van fossiele en duurzame energie sterk verschillend. Zo is de basisprijs van hout voor de houtkachel hoger dan die voor gas, maar lager dan de marktprijs voor gas die huishoudens betalen. Mede daarom stoken veel consumenten hun huis warm met een houtkachel. Daar komt nog bij dat de basisprijzen van zonne-energie, windenergie en andere duurzame bronnen door middel van subsidie worden verlaagd. Die subsidie is op dit moment nodig om deze duurzame bronnen rendabel te exploiteren. Hoe kan vervanging van fossiele energie door duurzame energie dan neutraal zijn in termen van opbrengst aan belastingen en accijnzen?

We mogen ook een ander element niet over het hoofd zien. In grote mate steunt de opkomst van energie uit zon en wind op lokaal initiatief van burgers. Met zonnepanelen, zonneboilers en windturbines produceren zij een deel van de gebruikte energie zelf. Van consument verandert de burger in 'prosument'. Deze eigen productie ten behoeve van eigen consumptie kan niet belast worden. Het is namelijk geen monetaire transactie, ook al vindt er wel degelijk waardecreatie plaats. Hetzelfde geldt voor groente uit de moestuin, een zelf gebakken appeltaart en een zelf gebouwd eigen huis. Er zijn plannen om deze belastingvrijstelling uit te breiden naar postcodegebied. Daarmee zou ook de energie die wordt geproduceerd door zonnepanelen op het dak van het wijkcentrum, de gezamenlijke zonnepaal of windmolen in de wijk niet meer belast worden. Het zou de energietransitie een 'boost' geven als Nederlandse burgers de komende decennia massaal in eigen omgeving duurzame energie gaan produceren. Het zou ook leiden tot een substantiële daling in de belastinginkomsten uit elektriciteit.

De veronderstelling dat energiebelastingen en -accijnzen neutraal zijn naar bron (fossiel of hernieuwbaar) is aantoonbaar onjuist. Het lijdt geen twijfel dat de vervanging van fossiele energie door duurzame energie in ons land leidt tot daling van de staatsinkomsten. Dat is overigens absoluut geen reden om de energietransitie te traineren. Een strategie die is gericht op behoud van de status quo kost op de lange termijn waarschijnlijk veel meer geld. Wel is duidelijk dat Nederland zich veel beter op de energietransitie moet voorbereiden. In ons rapport concluderen we dat we eigenlijk niet weten hoe we de kosten en baten van de energietransitie moeten kwantificeren. Belangrijke informatie ontbreekt en ook is er nog discussie nodig over belangrijke veronderstellingen. Dat illustreert ook dit inhoudelijke debat met gewaardeerde collega's. Om tot bruikbare antwoorden te komen moeten we blootleggen wanneer belangrijke informatie ontbreekt of omstreden is. Een 'inconvenient truth' is nog altijd beter dan een 'reassuring lie'.


 Het rapport 'Naar een toekomstbestendig energiesysteem' is te downloaden via http://www.tno.nl/downloads/naar_toekomstbestendig_energiesysteem_nederland_tno_2013_r10325.pdf. Contactpersoon: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.. 

 

 

 

 

 

Ga direct naar alle artikelen over:

nME icon overheid groot 3d4

Overheid

nME icon bedrijfsleven2 groot

Bedrijfsleven

nME icon onderzoek groot

Onderzoek

nME icon opinie2 groot

Opinie en debat