In 2016 zijn in de Europese Unie afspraken gemaakt over emissiedoelen voor luchtverontreinigende stoffen voor 2030. Daarnaast heeft de Europese Commissie in 2015 en 2016 voorstellen gedaan om de Europese doelen voor broeikasgasreductie, hernieuwbare energie en energiebesparing aan te scherpen. Het PBL heeft verkend wat in 2030 de mogelijke economische gevolgen en de effecten op emissies zijn van de nieuwe Europese beleidsdoelen voor lucht, klimaat en energie.

De effecten op economie en emissies voor de Europese Unie en Nederland zijn berekend met het algemeen-evenwichtsmodel WorldScan, tegen de achtergrond van een referentiescenario met alleen vastgesteld beleid. WorldScan is een macro-economisch model waarmee de doorwerking van beleid in de wereldeconomie, per land en per sector, kan worden geanalyseerd.

Uitstoot broeikasgassen in de Europese Unie neemt in 2030 af met 43 procent

Onder vastgesteld beleid vermindert de uitstoot van broeikasgassen in de Europese Unie met 33 procent ten opzichte van 1990. Met de aanscherping van het Europese lucht-, klimaat- en energiebeleid neemt de uitstootreductie verder toe tot 43 procent. Daarmee voldoet de Europese Unie ruim aan de reductietoezegging voor 2030 volgens het Parijsakkoord van 40 procent ten opzichte van 1990.

De uitstoot van luchtverontreinigende stoffen in de Europese Unie is in 2030 in vergelijking met het referentiescenario verminderd met 24 procent voor fijnstof (PM2,5), met 24 procent voor zwaveldioxide (SO2), met 13 procent voor stikstofoxiden (NOx), met 11 procent voor ammoniak (NH3) en met 3 procent voor vluchtige organische stoffen met uitzondering van methaan (NMVOS) (figuur 1). Door het klimaat- en energiebeleid neemt de uitstoot van stikstofoxiden daarmee meer af dan nodig is om de afgesproken reductiedoelen te realiseren. Reducties voor overige stoffen zijn in lijn met de afgesproken doelen.

De aanscherping van beleid kost Europa 0,4 procent aan inkomen, Nederland minder

De kosten van de aanscherping van het beleid zijn circa 0,4 procent van het Europese inkomen in 2030. Deze kosten komen bovenop de kosten van het reeds vastgestelde beleid. Het inkomensverlies door aanscherping van het klimaat- en energiebeleid is meer dan tien maal zo groot als dat van aanscherping van het luchtbeleid. In Nederland is het inkomensverlies in 2030 met 0,2 procent minder groot dan het gemiddelde inkomensverlies in de Europese Unie (0,4 procent). Dat komt vooral doordat de Nederlandse economie relatief sterk exportgeoriënteerd is. Daardoor kunnen de extra kosten in Nederland meer dan elders in de Europese Unie op het buitenland worden afgewenteld.

Zonder beleid voor hernieuwbare energie en energiebesparing haalt de EU in 2030 het doel voor broeikasgasreductie niet

De broeikasgasreductie in 2030 die met het Europese klimaat- en energiebeleid wordt behaald, is vooral het gevolg van de voorgestelde doelen voor hernieuwbare energie en energiebesparing. Met alleen de voorgestelde doelen voor broeikasgasreductie door ETS- en niet-ETS-sectoren is de emissie van broeikasgassen in de Europese Unie in 2030 met 4 procent gedaald ten opzichte van het referentiescenario. Ten opzichte van 1990 is dat een daling van 36 procent. Deze daling wordt vooral gerealiseerd door een verschuiving van kolen naar gas in de elektriciteitssector, door reductie van niet-CO2-broeikasgassen en door energiebesparing. Door de crisis is er binnen het Europees emissiehandelssysteem een overschot aan emissierechten opgebouwd. Deze rechten zullen ook in 2030 worden gebruikt en zorgen ervoor dat de reductie, zonder doelen voor hernieuwbare energie en energiebesparing, in 2030 minder zal zijn dan het door de Europese Unie afgesproken doel van 40 procent.

Toevoeging van het doel voor hernieuwbare energie leidt tot een verschuiving in de opwekking van elektriciteit van fossiele brandstoffen naar wind, zon en biomassa. Het opleggen van een doel voor energiebesparing zorgt voor verdere energiebesparing. Door beide energiedoelen loopt de broeikasgasreductie ten opzichte van 1990 op naar 43 procent. De energiedoelen leveren zo een bijdrage aan de energietransitie die verder gaat dan met alleen de doelen voor broeikasgasreductie zou worden gerealiseerd.

Werkgelegenheid verschuift van vervuilende naar minder vervuilende productie

Door het aangescherpte beleid worden vervuilende producten duurder, waardoor de vraag afneemt: in 2030 is de productie van elektriciteit en transportdiensten in de Europese Unie 5 procent lager dan zonder de aanscherping, de productie in de landbouw en de energie-intensieve industrie daalt met 3 procent. De dienstensector gaat juist meer produceren. Door deze veranderingen verschuiven in Europa banen van de industrie, de transportsector en de landbouw naar de dienstensector. De elektriciteitssector vormt hierop een uitzondering. Hoewel de productie van elektriciteit afneemt, neemt het aantal banen in de elektriciteitssector toe doordat bij de opwekking van hernieuwbare elektriciteit meer arbeid nodig is dan bij de opwekking van elektriciteit in kolen- en gascentrales. De verschuivingen in werkgelegenheid bedragen circa 0,1-0,2 procent van de totale werkgelegenheid: enkele honderdduizenden banen in de Europese Unie en enkele tienduizenden banen in Nederland.


Klik hier om de PBL-studie van Corjan Brink en Winand Smeets te downloaden.

Informatie: Corjan Brink, PBL, Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

 

Ga direct naar alle artikelen over:

nME icon overheid groot 3d4

Overheid

nME icon bedrijfsleven2 groot

Bedrijfsleven

nME icon onderzoek groot

Onderzoek

nME icon opinie2 groot

Opinie en debat