Op 1 februari vond de elfde Belgian Environmental Economics Day plaats in Gent. Brent Bleys van het Center for Environmental Economics and Environmental Management (CEEM) van de UGent organiseerde dit jaar de bijeenkomst van Belgische milieu-economen.

 


Na een welkomstwoord van Johan Albrecht, presenteerde Tine Compernolle (UAntwerpen) een pleidooi voor een nieuwe subdiscipline in het veld van ecological economics namelijk geological economics. Onderzoek in deze nieuwe discipline zou de relatie tussen het economische en het geologische systeem bestuderen. Belangrijke thema’s zijn het beheer van de ondergrond als een schaarse grondstof en de interacties tussen verschillende activiteiten onder het aardoppervlak (zoals de opslag van koolstof en water- en gasextractie). Hiervoor is een interdisciplinaire benadering nodig maar zal ook de onzekerheid over effecten en processen een grote rol spelen.

Daarna besprak Franscesco Cavazza (visiting scholar, UGent) de resultaten van een contingente waarderingsstudie van de waterkanalen voor irrigatie in Bologna, Italië. De motivatie voor de studie was het beter alloceren van de kosten voor onderhoud van de kanalen over alle gebruikers en niet enkel de landbouwers. Het draagvlak voor een dergelijk beleid bleek echter beperkt: er waren zo’n 27% protestantwoorden en slechts 43% van de respondenten bleek bereid om een bescheiden bijdrage te leveren.

Sam Hamels bestudeerde een alternatieve manier om de CO2-uitstoot van de elektriciteitsvraag in de residentiële sector in België te berekenen. Hij hield hierbij expliciet rekening met de specifieke timing van het elektriciteitsgebruik (welke dag? Welk uur? Verschillende weersomstandigheden) in plaats van de klassieke methode gebaseerd op gemiddeldes. De eerste berekeningen tonen echter beperkte verschillen (kleiner dan 10%) tussen beide benaderingen.

Steven Van Passel (UAntwerpen) beschreef een model voor het landgebruik door de Europese landbouwsector in de context van klimaatverandering. Expliciet werd in het model rekening gehouden met het aanpassingspotentieel (adaptive capacity) van landbouwers. Dit aanpassingspotentieel werd op twee manieren benaderd: via de algemene ESPON index en via een bedrijfsspecifieke index (i.e. verandering in opbrengst per hectare).

IMG 5016b

Foto: Talia Stough

Na de lunch was het tijd voor de keynote van Rutger Hoekstra (Statistics Netherlands) die zijn visie uiteenzette over de vraag waarom de beyond-GDP benadering (nog) niet werkt. Hij vergeleek de GDP-benadering met een multinational die actief is op een globale markt en de beyond-GDP benadering met een kleine en gefragmenteerde cottage industry. Na een historisch overzicht van de wortels van het gebruik van GDP als indicator en als beleidsdoel, gaf hij een pleidooi voor een interdisciplinaire benadering waarbij de (welvaarts)economische benadering een minder dominante rol zou moeten spelen. Het gebruik van neutrale termen zoals stock, flow, network en limit zou helpen om harmonisatie en coördinatie van alternatieve indicatoren te stimuleren. Het gebruik van big data en de beschikbaarheid van voldoende middelen zouden bij deze evolutie een belangrijke rol spelen.

Vervolgens presenteerde Olivier Malay (UCLouvain) een analyse van zes beyond-GDP indicatoren. Hij bekeek welke actoren een bepaalde indicator promoten en ook in welke mate de indicatoren waren gecorreleerd met GDP. De Happy Planet Index en Social Selling Index bleken andere aspecten van welzijn te meten dan GDP en waren dus mogelijk de meest informatieve alternatieven.
Jonas Van der Slycken (UGent) besprak de mogelijkheden van Index of Sustainable Economic Welfare - ISEW om tijd en grensoverschrijdende impacts mee te nemen.

Daarna vergeleek Bart Defloor (UGent) een objectieve maat van de individuele milieu-impact – de ecologische voetafdruk – met een subjectieve maat die weergaf hoe de respondenten zelf hun milieu-impact inschatten. Uit deze studie bleek bijvoorbeeld dat hoger opgeleiden de duurzaamheid van hun levensstijl eerder onderschatten, terwijl respondenten met hogere inkomens deze eerder overschatten.

Inge Mayeres (TMLeuven) besprak het potentieel van biobrandstoffen in de decarbonisatie van de luchtvaartsector aan de hand van een partieel evenwichtsmodel. Rekening houdende met het bestaand beleid zoals EU ETS werden de impacts van zes beleidsscenario’s berekenend. Onzekerheid over kostenschattingen en carbon leakage bleken belangrijke factoren in de analyse.

Daarna besprak Stef Proost (KU Leuven) het gebruik van beleidsinstrumenten in Oslo (Noorwegen) om het gebruik van elektrische auto’s te stimuleren. Hij argumenteerde dat het huidige beleid kan worden verbeterd door ook rekening houden met de impact op congestie, ongevalsrisico en luchtvervuiling door fijnstof, NOx en andere polluenten.

Tenslotte sloot Christophe Heyndrickx (TMLeuven) de dag af met een analyse van een belastingshervorming waarbij een daling van de arbeidsbelasting gecompenseerd wordt door een stijging van groene belastingen. In een algemeen evenwichtsmodel E-DIP worden verschillende scenario’s bekeken en daarbij werd expliciet rekening gehouden met de verdelingseffecten. Het bleek mogelijk om de bestaande inkomensongelijkheid te verminderen en de manier waarop de daling van de arbeidsbelasting werd geïmplementeerd bleek hierbij cruciaal.


Indien er interesse is in bepaalde thema’s is het waarschijnlijk het eenvoudigst om de presentatoren zelf te contacteren of eventueel Sandra Rousseau (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.) te mailen.

 

Ga direct naar alle artikelen over:

nME icon overheid groot 3d4

Overheid

nME icon bedrijfsleven2 groot

Bedrijfsleven

nME icon onderzoek groot

Onderzoek

nME icon opinie2 groot

Opinie en debat