Op verzoek van de Europese Commissie heeft het Instituut voor Milieuvraagstukken (IVM) van de Vrije Universiteit Amsterdam in samenwerking met het  Institute for European Environmental Policy (IEEP) een studie uitgevoerd naar mogelijke methoden en indicatoren om handelsgerelateerde effecten op biodiversiteit op te sporen en te beoordelen en naar de belangrijkste lacunes in onze kennis over deze effecten.

De EU- biodiversiteitsstrategie voor de periode tot 2020, die in 2011 werd aangenomen, verplicht de Europese Commissie om de bijdrage van het handelsbeleid aan de instandhouding van de biodiversiteit te verhogen, onder andere door “potentiële effecten van de liberalisering van het handelsverkeer en investeringen op de biodiversiteit op te sporen en te beoordelen via handelsgerelateerde duurzaamheidseffectbeoordelingen vooraf en evaluaties achteraf.” Een tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie in 2015 concludeerde echter dat de stappen die genomen waren om aan deze eis tegemoet te komen nog onvoldoende waren en dat de Commissie zich moest inspannen om de handelsgerelateerde aspecten van de biodiversiteitsstrategie ten uitvoer te brengen om zodoende de positieve bijdrage van EU-handelsbeleid aan de bescherming van biodiversiteit te vergroten.

Eén van de barrières voor het vergroten van die positieve bijdrage is dat er op dit moment geen robuuste methodologie bestaat die gebruikt kan worden bij het beoordelen van de effecten van handelsliberalisatie – en de daarbij horende veranderingen in handels- en investeringsstromen – op biodiversiteit en andere ecosysteemdiensten.  Er is daarom onderzoek nodig om een standaard methodologie inclusief een bijbehorende set indicatoren te ontwikkelen die voor dat doel geschikt is.  

Al sinds 1999 voert de Europese Commissie  duurzaamheidseffectbeoordelingen uit voor alle vrijhandelsovereenkomsten die met niet-EU-landen worden gesloten. Deze duurzaamheidseffectbeoordelingen  volgen een bepaalde methodiek waarin een basisscenario zonder handelsovereenkomst wordt vergeleken met een scenario met een beoogde handelsovereenkomst. Deze scenario’s omvatten economische en sociale aspecten, mensenrechten en milieuaspecten (inclusief biodiversiteit). Een screening van 25 van de meest recente duurzaamheidseffectbeoordelingen leert dat er geen voorkeursmethode is om de effecten op biodiversiteit op te sporen en te beoordelen. Hoewel biodiversiteit wel gebruikt wordt als één van de kernindicatoren in het basisscenario,  doen de indicatoren die gebruikt worden geen recht aan de omvattende lijst van doeleinden en indicatoren die geformuleerd zijn in het Verdrag inzake Biologische Diversiteit (CBD). Indien de effecten van handelsmaatregelen worden beoordeeld, geschiedt dat op kwalitatieve wijze, veelal via casestudies. De effecten van investeringsverdragen op de biodiversiteit worden slechts zeer sporadisch geraamd.

De studie van IVM en IEEP stelt een aantal ’geneste’ opties voor om de kwaliteit van de duurzaamheidseffectbeoordelingen te vergroten. Ten eerste is het mogelijk om de huidige praktijk, die overwegend kwalitatief is, te verbeteren. Dit kan gebeuren door de beoordeling  meer systematisch en omvattend te maken door een kwalitatieve analyse uit te voeren op een kernverzameling van biodiversiteitsindicatoren (status en verscheidenheid van soorten, beschermde gebieden en ecosystemen) over alle economische sectoren. De duurzaamheidseffectbeoordeling van het vrijhandelsverdrag tussen de EU en India biedt een goede basis voor een dergelijke aanpak.

Bovendien kan deze systematische kwalitatieve aanpak ondersteund worden door een aantal beschikbare kwantitatieve methoden. De studie onderscheidt twee brede kwantitatieve benaderingen: die van de industriële ecologie en die van een combinatie van landgebruiksmodellen en biodiversiteitsmodellen, eventueel geïntegreerd in een Integrated Assessment model. Modellen uit de industriële ecologie koppelen veranderingen in productie en consumptie direct aan intermediaire en finale milieu- en biodiversiteitsindicatoren, op grond van verbanden (coëfficiënten) die gevonden zijn in de literatuur.  De landgebruiks- en biodiversiteitsmodellen  voorspellen eerst het effect van verandering in productie en consumptie op landgebruik en gebruiken de voorspelde veranderingen in landgebruik als input voor biodiversiteitsmodellen die het uiteindelijke effect op populaties, soorten en ecosystemen kunnen uitrekenen.  Figuur 1 illustreert de geneste opties. Aan de linkerkant van de figuur worden de stappen in de analyse weergegeven, aan de rechterkant worden enkele methoden en modellen genoemd die in de desbetreffende stap gebruikt kunnen worden.                       

 

Figuur 1: Methoden en modellen voor het analyseren van biodiversiteitseffecten van handelsliberalisering 

De studie heeft enkele belangrijke kennislacunes geïdentificeerd. Om de effecten van handelsliberalisatie op biodiversiteit op te sporen en te beoordelen is het belangrijk om te weten welke economische sectoren zullen groeien of krimpen ten gevolge van een vrijhandelsverdrag. Uit empirische analyse is gebleken dat de voorspellende kracht van handelsmodellen op sectorniveau vrij laag is. Het is te verwachten dat deze voorspellende kracht nog lager zal worden als handelsliberalisatie zich in toenemende mate zal richten op het wegnemen of verminderen van zogenaamde non-tarifaire handelsbelemmeringen.   Een meer praktisch probleem is dat de handelsmodellen die op dit moment gebruikt worden om de economische en milieueffecten van vrijhandelsverdragen door te rekenen  voornamelijk gericht zijn op energie-intensieve sectoren (om het effect op CO2 emissies te schatten) en veel minder op land-intensieve sectoren. Voor een robuuste beoordeling van de effecten op biodiversiteit is een sterkere focus op land-intensieve sectoren noodzakelijk.

Duurzaamheidseffectbeoordelingen hebben tot nu toe weinig aandacht besteed aan het effect van investeringen op biodiversiteit. Als er aandacht aan is besteed is dit voornamelijk met betrekking tot de winning van delfstoffen. Er is zeer weinig informatie over het effect van investeringen op biodiversiteit in andere sectoren.  Een ander probleem is dat veel landgebruiksmodellen alleen de meest voorkomende landgebruikstypen onderscheiden. Zulke modellen veronachtzamen aspecten van landgebruik die belangrijk zijn voor biodiversiteit, zoals landgebruiksmanagement, landvegetatie en – configuratie. Recente landgebruiksmodellen proberen deze tekortkomingen te  verhelpen, maar hun toepassing is nog niet standaard. 

Tenslotte besteedt de studie aandacht aan indicatoren. Er bestaan veel indicatoren op het terrein van biodiversiteit. In uitgevoerde duurzaamheidseffectbeoordelingen is maar een handvol van deze indicatoren gebruikt. De studie raadt aan om de verzameling van indicatoren te verbreden en deze systematisch te gebruiken in alle duurzaamheidseffectbeoordelingen van vrijhandelsverdragen. De studie maakt de aanbeveling om elke duurzaamheidseffectbeoordeling te beginnen met een inventarisatie van concrete zorgen over biodiversiteit en gerelateerde indicatoren en dan de meest geschikte methoden en modellen te kiezen om deze zorgen te adresseren.


De studie ‘Trade Liberalisation and Biodiversity Scoping Study on Methodologies and Indicators to Assess the Impact of Trade Liberalisation on Biodiversity (Ecosystems and Ecosystem Services)’ is  te vinden via onderstaande link:

https://publications.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/d6bb33aa-2bf3-11e8-b5fe-01aa75ed71a1/language-en/format-PDF/source-68999387.

Voor nadere informatie:  Onno Kuik (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.).

 

Ga direct naar alle artikelen over:

nME icon overheid groot 3d4

Overheid

nME icon bedrijfsleven2 groot

Bedrijfsleven

nME icon onderzoek groot

Onderzoek

nME icon opinie2 groot

Opinie en debat