Deze website gebruikt analytische cookies om inzicht te krijgen in de populariteit van de aangeboden artikelen (webstatistieken). Persoonlijke gegevens van bezoekers worden niet vastgelegd.

ASN Bank wil in 2030 netto 'biodiversiteitpositief' zijn met al zijn investeringen. Maar hoe meet je de impact van een investeringsportfolio op biodiversiteit? Samen met CREM en PRé Sustainability heeft de bank een methodiek ontwikkeld waarmee hij internationaal voorop loopt.

Het duurzaamheidsbeleid van ASN Bank kent drie pijlers: klimaat, mensenrechten en biodiversiteit. In 2017 heeft ASN Bank besloten om in 2030 netto ‘biodiversiteitpositief’ te zijn. Dit betekent dat de totale impact van alle investeringen van de bank tegen die tijd een positief saldo moet laten zien. Om te kunnen beoordelen wat hiervoor nodig is en of dit doel dichterbij komt, moet de bank de impact van zijn investeringen (de biodiversiteitfootprint) natuurlijk ook meten. CREM en PRé Sustainability ondersteunen de bank hierbij.

Belangrijk uitgangspunt voor de bank bij deze footprintberekening is het gebruik van ‘best available science’ en transparantie. Geen ‘black box’ berekeningen waarvan onduidelijk is hoe berekeningen plaatsvinden en welke aannames zijn gedaan. Zowel de methodiek als de gebruikte data zijn openbaar en staan daardoor open voor verdere verbetering. De footprintberekening is gebaseerd op de volgende stappen:

1. Een analyse van de investeringen: welke economische activiteiten worden hierdoor mogelijk gemaakt, waar vinden deze plaats en welk aandeel heeft de bank hierin?
Deze eerste stap is tevens de meest bewerkelijke stap. Hier moet worden bepaald welke economische activiteiten mogelijk worden gemaakt door de investeringen van ASN Bank en zo mogelijk in welke landen deze activiteiten plaatsvinden. In welke economische activiteiten investeert de bank bijvoorbeeld in het geval van aandelen in een bedrijf als Nike? In een retailer (Nike produceert niet zelf)? Of in een bedrijf met supply chains die tot aan de katoenproductie lopen?

2. Een analyse van het landgebruik, het grondstofgebruik en de emissies die met deze economische activiteiten samenhangen (de zogenaamde ‘life cycle inventory’).
In deze stap wordt gebruik gemaakt van de openbare, wereldwijde ‘Exiobase’ database, waarin de grondstof- en emissiecijfers zijn opgenomen voor 170 sectoren en 48 landen en regio’s. De database biedt bovendien informatie over de handel tussen landen. Wanneer een land als Turkije katoen importeert ten behoeve van de textielproductie, dan kan hier in de berekeningen dus rekening mee worden gehouden. Een deel van het landgebruik en de emissies van katoenproductie wordt dan immers ‘geïmporteerd’ uit andere landen, zoals bijvoorbeeld China.

3. Een analyse van de milieueffecten en de impact op biodiversiteit die het gevolg zijn van dit grondstofgebruik en deze emissies, zoals klimaatverandering, landgebruik, eutrofiëring, ecotoxiciteit, etc.
In deze derde stap wordt de ‘ReCiPe’-methode gebruikt om de milieueffecten te berekenen. Dit is de zogenaamde ‘life cycle impact assessment’ stap. ReCiPe is onder meer ontwikkeld door PRé en het RIVM en wordt veel in levenscyclusanalyses (LCA’s) gebruikt. De methode is gebaseerd op zogenaamde ‘dosis-respons’ relaties, zoals het verlies aan biodiversiteit bij 1 graad temperatuurstijging, het verdrogen van een gebied of het bezet houden van een hectare land. Over deze methode is meer te vinden op de RIVM website. Voor ASN Bank wordt het resultaat uitgedrukt in het aantal m2 ‘verloren’ natuur per geïnvesteerde euro. Daarmee ontstaat een effectieve manier om verschillende investeringen tegen elkaar af te wegen.

4. Een kwalitatieve analyse ten behoeve van een juiste interpretatie.
In de vierde en laatste stap wordt in een kwalitatieve analyse beoordeeld wat de beperkingen zijn van de gebruikte footprintmethode en de data en wat hiervan de invloed is op het resultaat. Waar mogelijk wordt de kwalitatieve analyse gebruikt om tekortkomingen in de footprintberekening te adresseren. Zo kan in ReCiPe de impact op biodiversiteit van invasieve soorten niet worden meegenomen. Met een kwalitatieve analyse kan dan wel worden beoordeeld voor welke investeringen de introductie van invasieve soorten een rol zou kunnen spelen.

De nauwkeurigheid van de op deze wijze berekende footprint is beperkt, maar biedt wel inzicht in de impact hotspots: de investeringen waar de impact op biodiversiteit waarschijnlijk het hoogst is en de oorzaken. Dit is waar ASN Bank vooral een verschil kan maken met zijn investeringen en investeringscriteria.

Figuur 1: Biodiversiteitseffecten uitgedrukt in m2 per €. Dit betreft het aantal vierkante meters waar alle biodiversiteit verloren is gegaan, per geïnvesteerde euro.

Inmiddels is de footprint van de bank berekend voor de jaren 2014-2017 en beoordelen we hoe de bank deze footprint verder kan verlagen en uiteindelijk kan ombuigen naar een positieve bijdrage aan biodiversiteit. Internationaal is er veel belangstelling voor deze aanpak en begin 2018 is ASN Bank met andere financiële instellingen een samenwerking gestart om tot breed gedragen uitgangspunten voor een biodiversiteitfootprintberekening te komen. De samenwerking heeft inmiddels geleid tot de publicatie ‘Common ground in biodiversity footprint methodologies for the financial sector’.


Meer informatie? Neem contact op met: Wijnand Broer (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.Mark Goedkoop (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.of Roel Nozeman (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Rapportages ASN Bank en common ground paper: https://www.asnbank.nl/over-asn-bank/duurzaamheid/biodiversiteit/biodiversiteit-in-2030.html.
ReCiPe: https://www.rivm.nl/life-cycle-assessment-lca/recipe.