Deze website gebruikt analytische cookies om inzicht te krijgen in de populariteit van de aangeboden artikelen (webstatistieken). Persoonlijke gegevens van bezoekers worden niet vastgelegd.

Op verzoek van de Partij van de Arbeid heeft het PBL het effect geanalyseerd van een voorstel tot introduceren van een CO2-heffing in Nederland. Het voorstel betreft een in de tijd oplopende heffing op de CO2-uitstoot van bedrijven in de industrie en de glastuinbouw. Ook heeft het PBL op verzoek van GroenLinks het voorstel van deze partij geanalyseerd, namelijk een in de tijd oplopende heffing op de CO2-uitstoot van ETS bedrijven met uitzondering van elektriciteitsbedrijven (2 varianten). De analyse is gericht op het effect van het voorstel op de broeikasgasemissies in Nederland, en op het effect in de industrie in het bijzonder. Ook is gekeken naar de bijbehorende nationale kosten.

Effecten PvdA-voorstel

De analyse concludeert dat de CO2-heffing kan leiden tot reductie van de industriële uitstoot in Nederland met tussen 12 – 20 (bij 40% vrijstelling), 13 – 22 (bij 20% vrijstelling) of 14 – 23 megaton (zonder vrijstelling), afhankelijk van het aandeel in de emissies dat onder de vrijstellingsregeling zou vallen. Het effect is afhankelijk van voldoende investeringsbereidheid bij bedrijven om, bovenop de door de heffing afgedwongen investeringen, (vrijwillig) gebruik te maken van de SDE++-middelen. Wanneer de investeringsbereidheid van bedrijven beperkt is, zal het totale emissie-effect meer steunen op alleen de heffing. Dan zou de effectbandbreedte dus beduidend lager liggen.

Een beperkt deel (2 – 8%) van de emissiereductie komt doordat de heffing zal leiden tot verplaatsing van industriële productieactiviteiten naar het buitenland. Verplaatsing leidt ertoe dat dit deel van de in Nederland geboekte milieuwinst in het buitenland teniet wordt gedaan. De weglek kan hoger uitvallen in verband met geconstateerde risico’s op beslissingen van grote energie-intensieve bedrijven over de productieomvang in Nederland, die vanwege hun discrete karakter moeilijk kunnen worden meegewogen.

Het nemen van technische reductiemaatregelen in de industrie leidt tot extra elektriciteitsvraag van 5 – 20 TWh ten opzichte van het ontwerp-Klimaatakkoord. Deze vraag kan deels in Nederland en deels elders tot extra uitstoot leiden, afhankelijk van de manier waarop deze wordt opgewekt. Hierdoor kan de milieuwinst in Nederland en op mondiale schaal per saldo verder verminderen.De extra uitstoot in Nederland is geraamd op 0 – 2,5 Mton. De extra uitstoot door elektriciteitsopwekking op wereldschaal is niet bepaald, maar kan significant zijn.

De nationale kosten van de maatregelen in de industrie in 2030 zijn geraamd op 300 – 1100 miljoen euro (zonder vrijstelling), 350 – 1100 miljoen euro (bij 20% vrijstelling) respectievelijk 400 – 900 miljoen euro (bij 40% vrijstelling). De nationale kosten die met de productie en transport van de extra elektriciteitsvraag gemoeid zijn bedragen 50 – 300 miljoen euro in 2030.

Effecten GroenLinks-voorstel

Conclusie van de analyse is dat de CO2-heffing naar verwachting zal leiden tot reductie van de industriële uitstoot in Nederland met 14 – 20 megaton (variant 1) respectievelijk 18 – 26 megaton (variant 2). Het indicatieve doel voor de industrie in het klimaatakkoord van 14,3 megaton reductie wordt daarmee naar verwachting (ruim) bereikt. Het grootste gedeelte van deze reductie komt door het nemen van technische maatregelen bij de bedrijven. De nationale kosten van deze maatregelen in 2030 zijn geraamd op 230 – 370 miljoen (variant 1) respectievelijk 780 -920 miljoen euro (variant 2).

Een beperkter, maar significant, deel (6-18%, resp 6-19%) van de emissiereductie komt doordat de heffing zal leiden tot verplaatsing van industriële productieactiviteiten naar het buitenland. Verplaatsing leidt ertoe dat dit deel van de in Nederland geboekte milieuwinst in het buitenland teniet wordt gedaan. De weglek kan hoger uitvallen in verband met geconstateerde risico’s op beslissingen van grote energie-intensieve bedrijven over de productieomvang in Nederland, die vanwege hun discrete karakter moeilijk kunnen worden meegewogen.

Het nemen van technische reductiemaatregelen in de industrie leidt tot extra elektriciteitsvraag, die – afhankelijk van de productiewijze - deels in Nederland en deels elders tot extra uitstoot kan leiden. Hierdoor kan de milieuwinst in Nederland en op mondiale schaal per saldo verder verkleinen. Verplaatsing van industriële activiteiten leidt tot kleinere elektriciteitsvraag in Nederland, maar elders juist tot meer. De extra uitstoot in Nederland is geraamd op 0 – 1 Mton (variant 1) respectievelijk 0,5 – 3 Mton (variant 2). De extra uitstoot door elektriciteitsopwekking op wereldschaal is niet bepaald, maar kan significant zijn. De nationale kosten die met de productie en transport van deze extra elektriciteitsvraag gemoeid zijn bedragen 50 – 150 miljoen (variant 1) respectievelijk 150 – 350 miljoen (variant 2) euro in 2030.

Vanwege een vereenvoudigde aanpak en het ontbreken van specifieke details van het voorstel geeft de analyse slechts een indicatief beeld van de verwachte effecten van beide voorstellen.


Auteurs: Michiel Hekkenberg, Jan Ros, Corjan Brink, Robert Koelemeijer, Paul Koutstaal.

Klik hier om publicatie Effecten PvdA-voorstel te downloaden

Klik hier om publicatie Effecten GroenLinks-voorstel te downloaden

Informatie: Michiel Hekkenberg, Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.