Deze website gebruikt analytische cookies om inzicht te krijgen in de populariteit van de aangeboden artikelen (webstatistieken). Persoonlijke gegevens van bezoekers worden niet vastgelegd.

Het aandeel grondstofkosten in de productiekosten van bedrijven is op verschillende manieren te berekenen. PBL heeft twee van deze manieren, de energie- en materiaalkosten en de kale grondstofkosten, met elkaar vergeleken. De kale grondstofkosten zijn lager dan de energie- en materiaalkosten, omdat ze niet de toegevoegde waarde in toeleverende productieketens omvatten. Daarmee vormen de kale grondstofkosten een betere indicatie voor het grondstofgebruik in een economie en voor gedragseffecten van prijsbeleid op grondstoffen.

Energie- en materiaalkosten versus kale grondstofkosten

Beprijzen van grondstoffen (inclusief energie) is één van de opties om bedrijven en burgers te prikkelen om efficiënter om te gaan met natuurlijke hulpbronnen. Om iets te kunnen zeggen over de effecten van prijsbeleid op het gebruik van grondstoffen is het onder andere nodig inzicht te hebben in het aandeel van grondstofkosten in de totale kosten van bedrijven. Dit aandeel is op ten minste twee manieren te berekenen:

1. Meting van de directe grondstofkosten van bedrijven, in deze notitie verder aangeduid met energie- en materiaalkosten. Dit betreft niet alleen de kosten voor inkoop van energie en materialen, maar ook die van natuurlijke grondstoffen, halffabricaten en producten. Deze energie- en materiaalkosten omvatten ook de toegevoegde waarde van bijvoorbeeld de bewerking van natuurlijke grondstoffen in toeleverende productieketens.

2. Om beter zicht te krijgen op enkel de kosten van natuurlijke grondstoffen is het nodig de andere kosten in de productieketen – zoals arbeidskosten voor bewerkingen – zo veel mogelijk uit de berekening te verwijderen. Op deze wijze worden de zogenoemde kale grondstofkosten bepaald, die zijn gebaseerd op de prijzen van natuurlijke grondstoffen. De berekende kale grondstofkosten betreffen de kosten van de ingekochte energie en materialen in de productieketen teruggerekend naar alle gebruikte natuurlijke grondstoffen.

De kale grondstofkosten vormen een betere indicator voor het grondstofgebruik in een economie dan de energie- en materiaalkosten zoals deze worden geregistreerd bij bedrijven. De kale grondstofkosten omvatten immers niet de toegevoegde waarde in toeleverende productieketens. Ook vormen de kale grondstofkosten hiermee een betere indicatie voor de gedragseffecten van een heffing op grondstoffen. Het feit dat er verschillende manieren zijn om het aandeel van grondstofkosten in de totale productiekosten te berekenen, verklaart mede waarom er in de literatuur sterk uiteenlopende aandelen worden gevonden. Die aandelen variëren van ruim 40 procent in Duitsland tot 5 procent in Nederland. In de Duitse studies zijn de aandelen energie- en materiaalkosten berekend. Hierin zijn dus ook toegevoegde waarden van toeleverende ketens opgenomen. Voor Nederland zijn echter de kale grondstofkosten berekend. Dat verklaart voor een deel het lagere aandeel grondstofkosten in de totale kosten. Daar komt bij dat het in de Duitse studies specifiek over de industrie gaat en in de studie voor Nederland voor de economie in zijn geheel.

Om de methoden onderling te vergelijken en te duiden heeft het PBL de aandelen grondstofkosten zowel berekend voor individuele bedrijfstakken als voor de totale economie:

1. Voor de industrie variëren de aandelen kale grondstofkosten in Nederland in 2010 tussen de 5 en 50 procent en die van energie- en materiaalkosten tussen de 20 en 60 procent. Vooral de bedrijfstakken voedingsmiddelen, chemie en basismetaal zijn grondstofintensief. Deze bedrijfstakken hebben een relatief hoog direct gebruik van natuurlijke grondstoffen en via de inkoop van energie, materialen en halffabricaten wordt daar nog indirect gebruik van natuurlijke grondstoffen aan toegevoegd.

2. Het aandeel kale grondstofkosten in de totale finale vraag van de Nederlandse economie betreft ruim 14 procent. Wanneer alleen de binnenlandse finale vraag wordt beschouwd – dus exclusief uitvoer – is het aandeel kale grondstofkosten veel lager, namelijk 6,5 procent. De uitvoer zelf is met een aandeel van ruim 26 procent veel meer grondstofintensief. Het in deze studie berekende aandeel grondstofkosten in de binnenlandse vraag ligt in dezelfde orde van grootte als wat CE Delft heeft berekend (De Bruyn et al. 2009).

Vergelijking buitenland

Om het grondstofgebruik in Nederland te kunnen vergelijken met dat in omringende landen zijn voor deze notitie ook de grondstofkosten in Duitsland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk berekend. Uit deze internationale vergelijking blijkt dat de Nederlandse economie meer grondstofintensief is dan de economieën van deze omringende landen. Echter, het beslag op grondstoffen voor de productie van de binnenlandse vraag is in Nederland vergelijkbaar met dat van Duitsland, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk. Het is dus vooral de uitvoer die in Nederland meer grondstofafhankelijk is dan de uitvoer in de andere onderzochte landen. Dit wordt veroorzaakt door een relatief groot aandeel basisindustrie (voedsel, chemie en metaal) in de structuur van de Nederlandse industrie, die vooral produceert voor de uitvoer. Hier is dus met name sprake van een structuureffect.

In de PBL-notitie laten we aan de hand van een rekenvoorbeeld zien dat de voedingsmiddelenindustrie, de basischemie en basismetaal het meest gevoelig zijn voor prijsveranderingen van grondstoffen. Prijsbeleid is dan een stimulans om efficiënter om te gaan met grondstoffen. In bedrijfstakken waar het aandeel van grondstoffen in de totale kosten gering is, is het te verwachten effect van prijsbeleid geringer. In dat geval lijken andere instrumenten dan prijsbeleid kansrijker om efficiëntieverbeteringen te stimuleren, zoals normering van apparaten en auto's, en leaseconcepten voor kantoormeubilair (circulaire economie).

Bedrijfstakken binnen en tussen landen verschillen wat betreft hun grondstofgebruik. Dit biedt aangrijpingspunten voor beleid om het efficiënter omgaan met grondstoffen te bevorderen. Hiervoor dient echter eerst een aantal vervolgvragen te worden beantwoord. Deze betreffen de effectieve en efficiënte plaats van ingrijpen in de keten, de grondstoffen die het eerst in aanmerking komen voor beleidsaandacht en de mogelijkheden van bedrijven om in hun bedrijfsprocessen efficiënter om te gaan met grondstoffen. Voor het beantwoorden van deze vragen is verder onderzoek nodig.


Klik hier om de PBL-notitie Aandeel Grondstofkosten in de totale productiekosten van bedrijven te downloaden. Meer informatie: Harry Wilting (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.) of Aldert Hanemaaijer (Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.).

 


 

 

Referentie

De Bruyn, S., Markowska, A., De Jong, F., Blom, M. (2009), Resource productivity, competitiveness and environmental policies, CE Delft, Delft.